De beste schutter van Nederland – aller tijden – is 65

Kees Akerboom viert vandaag zijn 65ste verjaardag! De beste schutter van Nederland aller tijden is niet alleen een zeer bijzondere basketballer, maar ook een zeer bijzonder mens. In een boek dat ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de NBB werd samengesteld, liet Kees Akerboom het achterste van zijn tong zien. Dat interview van twintig jaar geleden staat hieronder.

 

“Ik was zo goed als ik zelf wilde zijn”

Toen de NBB vijf was, schonk Nel Akerboom-Smit de Boy Wonder van de basketballsport het leven. Nu de NBB 50 is, is Kees Akerboom 45, maar het grijs aan de slapen en elders is een regelrechte misvatting de natuur. Onder dat grijs namelijk, huist de geest van de eeuwige jeugd. Er was de vroegere Kees Akerboom, die van Split tot Madrid moeiteloos dikke dertigers binnen gooide. Er is de huidige Kees Akerboom, de onzekerheid voorbij. En de toekomstige Kees Akerboom is zelfs al gekloond. Derhalve verleden, heden en toekomst van een fenomeen. De beste ooit.

In 1982 won Nederland ongeslagen de Challenge Round (het Europees Kampioenschap voor B-landen) in Portugal. Kees Akerboom: “Dat team was zo goed, mij hadden ze niet nodig. De eerste wedstrijd speelde ik nog wel redelijk, de tweede minder, de derde wedstrijd was helemaal niks meer. Als iedereen al naar bed was, zat ik nog rustig te drinken met wat journalisten. Zeiden ze tegen mij: Dat basketball van jou, dat is niet veel meer. Ik zei: Wacht maar. We speelden tegen Duitsland. Ik kreeg de eerste bal op de kop van de bucket. Ik dacht: Als ik ‘m er nu met een hookshot in schiet, dan hangen die Duitsers.”

Hij viel. Nederland won met 92-70.

Soms, in de achtertuin van zijn deels met basketballen verdiende huis in Rosmalen, kromt hij die lange rug nog wel eens in die wonderlijk houterige bochten voor His Masters’ Shot. Houterig? Schijn, pure schijn! Nog steeds móet die bal erin. Nog steeds gáát die bal erin. Nog steeds, als het echt moet, schiet hij minstens 9 uit 10. En soms moet het…

Kees junior mag dan pas twaalf zijn, maar minstens 9 uit 10 is ook bij hem eerder regel dan uitzondering. Vader op sloffen tegen zoon, rond een lange paal in de achtertuin. Het meest ontroerende basketball van Nederland wordt gespeeld in die achtertuin in Rosmalen.

De tegels naast de paal liggen los. Je kan er gemakkelijk je enkels verzwikken. Een Akerboom niet. Een Akerboom schiet. Een Akerboom scoort en niet met een lay-up. Jong of oud, een Akerboom schiet raak.

Als ik je zoon zo zie, dan zie ik z’n vader…

“Over Kees wil ik niet praten. Hij heet ook Kees Akerboom en dat is voor hem al moeilijk genoeg. Je hebt gelijk: ze klonen tegenwoordig schapen en apen. Yvonne en ik hebben ook iets verbodens gedaan: Wij hebben een Akerboom gekloond.”

Met die naam was iets. Niet met de achternaam, maar met de voornaam. Want was het nou Kees? Of Cees, zoals Bram Brakel op maandagochtend in De Telegraaf schreef.

“Het is Kees met een K, maar naar goed katholiek gebruik heet ik voluit Cornelis Adrianus Gerardus.”

Begin jaren zeventig liet de University of Tennessee zijn oog op hem vallen. Pas toen de topschool als laatste redmiddel op goed geluk een vliegticket naar Nederland stuurde, ging Kees. Stapte hij in Knoxville uit het vliegtuig, stond daar op zóóó’n bord: Welcome Cees Akerboom.

“Hadden ze zeker Bram Brakel gebeld hoe ze mijn naam moesten schrijven…”

Met de kloon ging het trouwens ook mis.

“Had ik nog nooit gedaan, een kind aangeven bij de burgerlijke stand. Kees heet voluit Johannes Maria. Ik vergat erbij te zeggen: Maar wij noemen hem Kees. Als Kees zijn rapport krijgt, staat er: J. Akerboom. Ik dacht: Bij de tweede maak ik die fout niet weer, dus die heet gewoon Dennis. Toen dat goed ging, hebben we de beide meisjes, Claudia en Lucia, toch maar weer een paar namen extra gegeven.”

Dat de niet gekloonde Kees Akerboom nooit voor Tennessee (noch voor Duke, dat hem een getekende scolarship stuurde, noch voor de University of San Francisco, dat hem vroeg toen hij volgens eigen zeggen zijn eerste grijze haren had) speelde, raakt aan de ontdekking van Het Fenomeen.

“We hadden het vroeger goed thuis. Mijn moeder legde ons in de watten. Toen ik slaagde voor mijn Mulo-examen, zou ik een brommer krijgen. Ik was lang, dus dat kon niet zo maar een brommer zijn, dat moest een Sparta worden. Kostte iets over de duizend gulden. Mijn moeder gaat naar de bank om het geld te halen. Zegt die kassier: Wilt u een briefje van duizend of wilt u het in honderdjes? Doe maar een briefje van duizend, zei mijn moeder, want het is voor een brommer. Goh, zegt die kassier, dat is ook duur. Ja, zegt mijn moeder, maar mijn zoon is ook zo lang. Zit-ie al op basketball, vraagt die kassier aan mijn moeder…”

En zo kwam het dat Nel Akerboom haar zoon op een zaterdagochtend met zijn brommer naar De Doelen, een Haarlems hofje, stuurde.

“Daar stond een meneer met een bal en die zei dat ik ‘m in dat mandje moest doen.”

Diezelfde man zei later dat hij niet naar Tennessee moest gaan. En dus ging hij niet. Want die man, dat was Jan Janbroers.

“Jan Janbroers heeft mij als basketballer helemaal gebracht. Maar ik vraag mij nog steeds af: Waarom ik?”

Zijn drijfveer kent hij.

“Geldingsdrang. Altijd, altijd. Dat kwam voort uit mijn minderwaardigheidscomplexen. Ik durfde niet eens met de andere jongens onder de douche. Op mijn veertiende ben ik 14 centimeter gegroeid. Van groot was ik ineens lang. Toen ik 15 was, woog ik 64 kilo en was ik 2.04 meter lang. Ik zag eruit als een vogelverschrikker. Dries de Zwaan schreef stukjes over basketball in het Haarlems Dagblad. Stukjes over mij. Toen was ik niet meer die lange lul, ze keken tegen me op. Daar groeide ik van.”

Zijn talent kent hij.

“Ik heb richtingsgevoel. Met paaltjesvoetbal won ik ook altijd. Als ik de bal had, moest je niet bij je paaltje weglopen, want van twintig meter knalde ik ‘m om. Bij sjoelen kun je maximaal 148 punten halen. Ik haal er meestal zo’n 140.”

Wanneer wist je dat je goed was?

“Na anderhalf jaar. Al in mijn tweede jaar werd ik met Janbroers als coach Nederlands kampioen bij de junioren. Ik heb nooit niet in de basis gestaan. Hebben ze me laatst nog eens geflikt. Stond ik bij een wedstrijd van de oud-internationals niet in de basis. Ik denk er hard over om te stoppen.”

Starten is heilig?

“Als ik niet start, dan kom ik toch niet?!”

Het aanwaai-talent werd gevoed door Spartaanse training.

“Het Kopje van Bloemendaal en dan zo hard mogelijk naar boven rennen. Janbroers had gezegd: Touwtjespringen, dat is goed. Iedere dag een half uur, tien keer linkerbeen, tien keer rechterbeen. Ik woonde zes hoog op een flat. Dus legde ik er een slaapzak onder, zodat de benedenburen er geen last van hadden.”

“Roken, zei Janbroers, was niet goed. Dus stopte ik. Toen ik een jaar of 18 was, was ik het een keer niet eens met Janbroers. Die avond ben ik weer gaan roken. Ik heb mijn hele carrière meer dan twintig sigaretten per dag gerookt. De laatste tien jaar heb ik trouwens geen sigaret meer aangeraakt.”

Hij had een longinhoud van ‘Indurainse’ afmetingen: meer dan zeven liter.

“Ik kon blijven gaan. Ik had een vreselijk uithoudingsvermogen. Ik had een uitgesproken hekel aan trainen, maar ik kwam altijd en was nooit te laat.”

Hoe goed was je?

“Ik kon er dikke dertigers in gooien tegen topploegen.”

Hoe goed was je?

“Als je er dikke dertigers kan in gooien tegen topploegen, dan ben je goed.”

Maar, hoe goed was je?

(Denkt lang na en zegt dan:)

“Tussen mijn 26ste en mijn 30ste was ik zo goed als ik zelf wilde zijn.”

Was je de beste ooit?

“Ik zeg niks.”

Wees ‘ns eerlijk…

“Ik heb soms het idee: als ik twee keer ga trainen, kan ik nog mee in de eredivisie.”

Dat denkt hij nu. Zoals hij ook denkt: ik heb altijd in het verkeerde land gezeten. Of, toen hij tijdens de Haarlem Basketball Week de Griekse bondscoach Giannakis in een kameelharen jas zag: daarvan zou ik een auto kunnen kopen.

Maar het besef kwam te laat. En met het besef kwam het noodlot. Om ongenadig toe te slaan.

“Voor het eerst kwam er een NBA-ploeg naar Nederland, San Antonio Spurs. Ik dacht: misschien is er een scout bij…”

Het Nashua Den Bosch van Ton Boot met Mitchell Plaat en David Lawrence speelde vlak daarvoor een oefenwedstrijd in België.

“Nieuwe hal, nieuwe vloer, nieuwe schoenen. Tip-off, Plaat heeft de bal, ik loop de fast break door het midden. Stom, ik moet ‘m natuurlijk langs de lijn lopen. Ik moet me dus omdraaien om de bal te vangen. Mijn bovenbeen draaide, mijn onderbeen bleef staan. Ik hoorde het kraken.”

Diagnose: twee maanden rust.  Maar de Spurs kwamen…

“Na twee weken hield ik het niet meer. Ik nam het formidabele besluit dat ik was genezen en deed weer mee met de training. Ik stopte met twee benen. Mijn rechter bovenbeen schoot zo naar voren. Knie uit de kom. Voorste kruisband finaal afgescheurd.”

Die gretigheid was fout, maar dat hij na een zwaar jaar revalideren met een ossepees in zijn knie probeerde terug te komen, noemt hij “de grootste fout van mijn leven”. En specificeert dat met: “Verkeerde coach. Verkeerd team. Niemand zat op mij te wachten.”

Hij heette ‘de eigenzinnige Akerboom’ te zijn, die zijn speeltijd kwam opeisen. Het was een stuitend gebrek aan respect voor Het Fenomeen. Blijkt nu, wanneer hij de eerste training in de herinnering terugroept en nieuw licht laat schijnen op zijn onbegrepen woede-uitbarstingen van toen. ‘Als ik Ton Boot tegenkom,’ zei hij destijds in het Algemeen Dagblad, ‘dan trap ik hem dood als een mier.’ Zo voelde hij zich toen, zegt hij. En dat niemand dat begreep, kwam doordat wat er zich werkelijk afspeelde nooit de kolommen van de kranten haalde. Alleen dat schelden schreven ze op.

“Ik stond daar zo’n beetje te huppelen in een beugel. Hoor ik Ton Boot tegen onze fysiotherapeut Jan Verhoeven zeggen: Dat wordt nooit meer wat.”

Tien minuten later, de training begint.

“Ik verdenk Boot er nog steeds van dat hij het expres deed, om mij te pakken. We hadden dat onder hem nog nooit gedaan. Hij liet ons tikkertje spelen op één helft van het veld. Elke keer dat je getikt werd, moest je een suicide lopen. Toen Boot dat zei, voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ik zei tegen mijzelf: Kees, dit moet je pikken en als je het niet pikt, moet je nu gaan. Ik wilde basketballen, dus ik heb het gepikt. Nog steeds heb ik spijt dat ik toen niet naar mijn auto ben gelopen en mijn kruk heb gehaald om er Boot mee voor z’n kop te slaan.”

Hij werd twaalf keer getikt. Negen keer door Jos Kuipers.

“Ik moest dus twaalf suicides lopen. Na zes zei Boot dat ik ermee moest stoppen en ze aan het eind van de training maar moest afmaken, want ik hield de boel op. Dat doe ik dan dus niet! Ik ben door blijven lopen.”

Het seizoen daarop was Boot weg en werd Akerboom Speler van het jaar.

Wat het revanche?

“Het was een explosie.”

Slechts drie keer (1980, 1981 en 1985) werd hij MVP.

“Ach, ik heb er nooit iets van gezegd. Het ging altijd zo: als een of andere goser er aan het eind van het seizoen toevallig 39 in gooide tegen Urk United, dan werd hij MVP. Ik speelde gemiddeld 22 minuten in een ploeg met zes forwards en twee guards. Als ik een punt of 18, 20 had, kon ik gaan zitten. Dan waren de anderen aan de beurt.”

Op die ene keer na.

“Eén keer hebben ze me laten staan, toen ik lekker op schot was. In de finale van het Lew Laketoernooi tegen Rotterdam Zuid. Gooide ik er 71 in.”

Topscorer van de Nederlandse competitie werd Akerboom nooit.

“Ik had al twee keer als Nederlandse topscorer de Coca-Cola Trofee gewonnen, want het was altijd een Amerikaan die topscorer van de competitie werd. Daar ga ik eens verandering in brengen, dacht ik. Na zes wedstrijden had ik meer dan dertig punten gemiddeld. Kreeg ik bonje met Janbroers. Ben ik er maar mee gestopt.”

Wat werd omschreven als nonchalant, als het-zich-laten-aanleunen, dat was nuchterheid.

“Ik ben de nuchterheid zelve. Als ik iemand als John McEnroe op Wimbledon zo’n buiginkje zag maken naar de Hertogin van Kent, dan kon ik vreselijk kwaad worden. Ik zal nóóit voor iemand buigen. Maar ik zal ook nooit op iemand neerkijken.”

Schrijf dus niet dat het hem niks deed, dat hij Lid van Verdienste werd van de NBB of dat hij in 1986 een Ridderorde kreeg. Hij zei wel dat het hem gestolen kon worden, maar hij bedoelde dat het voor hem zo nodig niet hoefde.

“Want ik voel me zeker gestreeld, als mensen zich zo voor mij inspanden, dat ik zo’n speldje zou krijgen.”

Die bondsspeld was hij overigens snel weer kwijt.

“Werd gevierd met het nodige bier. Ik moest pissen. Komt er even later iemand uit de toiletten met mijn speld: Kees, is die van jou?”

 

Gold ook voor zijn salaris. Hij vond het allemaal wel best.

“Ik speelde bij Nashua voor 45.000 gulden.”

En dat bod van Parker van meer dan een ton?

“Nee, joh! 65.000 gulden.”

Everett Fopma speelde een half jaar in Leiden en kreeg wel een ton…

“Precies, dat bedoel ik! Ik heb altijd met mijn hart gebasketballd, nooit met mijn verstand.”

Daarom sloot hij na Levi’s Flamingo’s een hecht verstandshuwelijk van 1976 tot en met 1988 met Nashua Den Bosch.

“Die losse Brabantse sfeer. Daar was het voor mij ontzettend goed toeven. Ik had een hele goeie band met onze voorzitter, Rinus de Jong. Ik heb nooit een contract gehad. Als Rinus ja zei en ik zei ja, dan was het goed.”

Hij speelde er zijn beste wedstrijd. In de Vinkenkamp tegen Sinudyne Bologna, waar EBBC zich na twee verlengingen (90-78 en 96-84) en een legendarische dunk van Buff Kirkland met 105-92 plaatste voor de finale van de Europa Cup II.

“Ik schoot 10 op 11 in de tweede helft. Toen zeiden ze: Boot is zo’n goeie coach. En ik dacht: dat ze zo’n lange lul erbij hebben, die elf keer naar voren rent en tien keer zonder rebound die bal erin gooit, dat helpt toch ook wel.”

Die finale op 22 maart 1979 in het Joegoslavische Porec tegen Gabetti Cantu werd een deceptie. De simpele analyse: “We hadden als team de finale bereikt, maar ze wilden allemaal als eenlingen die wedstrijd winnen.”

In een ‘achenebbisj zaaltje voor twee bussen Italianen’ werd het 83-73. Topscorer Akerboom: 19 punten. “Je moet altijd een Europa Cupfinale verliezen om er één te winnen.” Maar die herkansing diende zich nimmer aan.

 

Uit die tijd stamt ook het beeld dat de hand van Akerboom of met de bal of met een bierglas vergroeid leek. Biertje, driepunter, sigaretje, nog een biertje, het ging allemaal met dezelfde geoefende polsbeweging.

“Roken, drinken, ja. Het was bij gelegenheid. Maar die gelegenheden waren altijd ná de wedstrijden.”

Je zakte toch ook gerust de avond voor de wedstrijd flink door?

“Nee, nooit… Ja, één keer. Een Europa Cupwedstrijd om des keizers baard in Bologna. We kwamen te laat in het hotel voor de lunch. Als we wilden lunchen, moesten we dat zelf betalen. Dus besloot onze teammanager Wim Hakman: geen lunch. Dat vond ik zo’n onzin. Ik zei tegen Maurice Govers: Kom op, we gaan zelf een pizza kopen. Natuurlijk een paar halve liters bier erbij. We hadden ‘m rondom zitten. Hadden we nooit gehoord dat de bus al naar de hal was vertrokken. Tot bestuurslid Wim Brok op de deur bonsde en riep dat de ploeg al naar de training was. Wij er heen. Een ronde hal. Zijn we drie keer omheen gelopen voordat we een gat vonden waardoor we naar binnen konden en bij de kleedkamers kwamen. Govers kon bijna niet meer op z’n benen staan. Ik peerde alles er in.”

Eén keer, Kees…?

In de finale van de play-offs van 1982 stuntte Nationale Nederlanden Donar door in de Vinkenkamp op zaterdagavond het eerste finaleduel met 88-90 te winnen. De return stond een later in Groningen geprogrammeerd.

“Theo Kropman en ik gingen na de wedstrijd Den Bosch in. We werden rondom als een balletje.”

De volgende dag won Nashua met 24 punten van Kees Akerboom het tweede duel in Groningen (91-92).

“Dat kon ik wel, hè, lichamelijk ongemak opzij zetten.”

Maar de serie ging, na drie landstitels op rij voor Akerboom en Nashua, met 3-1 toch naar Groningen. Het zit hem nog steeds dwars.

“Vier jaar achter elkaar hadden wij alleen maar tegen Parker gespeeld. Toen Donar Parker uitschakelde, dachten wij dat we er al waren. Dat kampioenschap hebben we door onderschatting verspeeld. En nog had het niet mis hoeven gaan. Maar Jan Dekker moest zo nodig van rechts helemaal naar links dribbelen om met Kruidhof in zijn nek de laatste bal te missen, terwijl ik vrij stond op de kop.”

Toch noemt hij Dekker bij zijn favoriete ploeggenoten.

“Gaf je Jan de bal, dan hoefde je je jarenlang geen zorgen te maken dat-ie lopen zou maken of de bal over de zijlijn zou passen.”

Maar er gaat niets boven Al Faber.

“Speelde volkomen in dienst van het team. Als Faber een blok zette, dan was je ook echt vrij.”

Tegen Erik van Woerkom, tegen Jackie Dinkins, tegen… Roel Tuinstra had hij het moeilijk.

“Ze hadden geestelijk overwicht op mij. Van Woerkom was slim, is nog steeds slim. Tuinstra wist altijd wel een snaar bij mij te raken. Die schijnbewegingen… Ik hapte altijd vrij snel. Dinkins was ongelooflijk goed in zijn positiespel, terwijl ik in de beginjaren soms als een gek rondliep.”

Maar het was de combinatie van Kinzo-coach Theo Kinsbergen en verdediger Randy Wiel die tegen Akerboom het best was opgewassen.

“Kinsbergen was de enige die het doorhad. Met zo’n lange tegenover mij wist ik wel raad. Kinsbergen zette Wiel op mij. Dan maakte ik de fout dat ik mijn lengte probeerde uit te spelen. Postte ik op, maar kreeg ik de bal toch niet.”

 

Met die eenvoudige constatering werd feitelijk ook Akerbooms karakter als basketballer gevormd. Onder Tom Quinn in Haarlem kreeg hij de bal ook niet. Zijn mondigheid was meteen verdwenen.

“Ik heb één keer gezegd wat ik ervan vond, maar ik werd vervolgens zo in de zeik gezet dat ik in huilen ben uitgebarsten. Ik was de vijfde optie in de aanval, ik zag die bal nooit. Ik zei tegen Quinn: Ik wil ook wel een schieten en scoren. Gaf Quinn mij een bal en zei: Hier, ga jij maar even schieten.”

Nooit meer trok hij zijn mond open.

“Ik heb nog nooit, echt nog nooit ook maar drie minuten met een coach over basketball gesproken. Ik speelde in mijn eigen wereldje, kwam kennelijk als onbenaderbaar over. (Hogelijk verbaasd.) Ik heb zelfs wel eens van mensen in Den Bosch gehoord dat ze dachten dat ik arrogant was.”

Die Kees Akerboom bestaat niet meer. Vraag hem maar eens wat hij denkt van de annexatie van Rosmalen door Den Bosch. Tot aan de Tweede Kamer toe trok hij politiek ten strijde, schreef brieven naar het Brabants Dagblad.

De politiek? Is dat wat voor je?

“Ik denk er wel eens over, maar ik zou niet weten bij welke partij ik me zou moeten aansluiten.”

Richt zelf een partij op!

“Weet je dat ik daar wel eens over heb gedacht…”

Dat grijze haar, dat klopt niet. In Kees Akerboom klopt het hart van een kind. Hij heeft de oude Akerboom van zich afgeschud.

“De binnenvetter is voorbij. Ik krop het niet meer op. Ik ben zoals ik ben en het is nu eenmaal zo gelopen. Doordat ik me nooit kon uiten, is veel fout gelopen. Dat heb ik afgeleerd.”

De werkelijke mens die zich achter de basketballer Kees Akerboom schuilhield, werd al in 1974 ontdekt door Jan Janbroers. De Professor schreef het standaardwerk Modern Basketball en deed zijn beste pupil een exemplaar cadeau. In zijn opdracht voorin vatte Janbroers het fenomeen in drie onverbeterlijke zinnen samen: “Voor Kees. Een oude binding… Een knipoog voor een talent en een fijne kerel.”

 

 

Cornelis Arnoldus Gerardus Akerboom

Geboren: 8 april 1952 te Haarlem

Lengte: 2.07 meter

Interlands: 186

Landskampioen: 1971, 1972, 1973, 1979, 1980, 1981, 1984, 1985

Verliezend play-off-finalist: 1982, 1986

MVP: 1980, 1981, 1985

All Star: 1974, 1977, 1978, 1980, 1981, 1982, 1985

Finalepoule Europa Cup I: 1980, 1981, 1982

Finale Europa Cup II: 1979

1968: Eredivisiedebuut bij Flamingo’s Haarlem

1972: Debuteert als international

1975: MVP van B-EK in Hagen

1975: Stapt van Haarlem over naar Den Bosch

1975: Breekt voor aanvang van het seizoen zijn pols

1977: Topscorer EK in België met 185 punten

1979: Geselecteerd voor Europees Team

1982: Loopt ernstige knieblessure op

1986: Stopt op 9 oktober

1986: Ridder in de Orde van Oranje Nassua

1986: Lid van Verdienste NBB

1988: Rentree bij Nashua Den Bosch

1988: Speelt op 21 november zijn laatste wedstrijd

 

 

Topscorer

1971 – AHOY: Akerboom schiet Levi’s Flamingo’s met 39 punten naar het landskampioenschap

1975 – Hagen: Akerboom wordt MVP van de Challenge Round met onder meer 41 punten tegen Polen

1977 – België: Akerboom wordt topscorer van het EK met 38 punten tegen Spanje, 37 tegen België en 31 tegen Finland

1978 – Leiden: Akerboom gooit er tegen aartsrivaal Parker 46 punten in, echter zijn ploeg, Falcon Jeans EBBC Den Bosch, verliest

1978 – Den Haag: Akerboom maakt 38 punten tegen Frankrijk

1979 – De Vinkenkamp: Akerboom goed voor 32 punten in de onvergetelijke halve finale van de Europa Cup II tegen Sinudyne Bologna

1980 – Europa Cup I: Akerboom: 34 punten tegen Le Mans en 30 tegen Real Madrid

1981 – Turkije: Akerboom goed voor 37 punten tegen Engeland

1982 – Sao Paulo: Akerboom schiet met 36 punten Puerto Rico aan flarden

Deel!